Begrippen - D

D

Da capo al fine
van het begin tot aan fine spelen.

Dal segno al fine
van het begin tot aan dal segno teken spelen.

Dansvormen 

  •     Allemande: van oorsprong Duitse dans, matig tempo, 2-delig;

     in 17e, 18e  eeuw 1e deel van de suite 

  •     Bolero: Spaanse dans, 3-delig met een karakteristiek, ostinaat ritme
  •     Bourree: komt vaak voor in de Baroksuite; 2-delig, snel.
  •     Courante: tweede dans van de Baroksuite, matig, snelle dans 2- of 3-delig
  •     Estampie: Middeleeuwse danslied
  •     Gaillarde: levendige springdans uit de 16e eeuw.

     Volgt vaak de pavane op met dezelfde melodie (ook wel sartarello genaamd), 3-delig 

  •     Gavotte: komt vaak voor in de Baroksuite, niet al te snel, 2-delig
  •     Gigue: laatste deel van de baroksuite; snel tot zeer snel, 2-delig 6/8
  •     Mazurka: van oorsprong Poolse springdans.

     Vaak gepunteerd ritme op de 1e tel, 3-delig, snel 

  •     Menuet: van oorsprong franse reidans. ABA-vorm.

     Vaak het 3e deel van een symfonie; 3-delig matig snel 

  •     Pavane: statig geschreden dans uit de 16e eeuw, 2-delig, langzaam
  •     Polonaise: van oorsprong Poolse dans; langzaam tempo en 3-delig
  •     Sarabande: vaak een lange noot op de tweede tel. Derde dans van de baroksuite;

     3-delig, langzaam 

  •     Rumba: van oorsprong Cubaanse dans. Veel sterk syncopische ritmes

     vooral door accenten op de 1e, 4e en 7e achtste van een vierkwartsmaat;
     2-delig, matig tempo 

  •     Tango: van oorsprong Argentijnse dans vol plotselinge bewegingen,

     veel lichte syncopen (syncopen = verschuiving van het natuurlijk maatritme),
     matig tempo, 2-delig 

  •     Wals: karakteristiek zijn het zware accent op de 1e tel en de slepende 2e en 3e tel;

     3-delig, snel

Decrescendo
geleidelijk in klanksterkte afnemend.

Diatonisch
gebruikmakend van hele- en halve toonafstanden.

Dirty intonation
klankvervorming (b.v. op een elektrische gitaar).

Dissonant
samenklank die wrijving geeft en niet harmonisch is, tegenovergestelde van consonant.

Dodecafonie
zie twaalftoonsmuziek.

Dominant
vijfde toon van de toonladder (heeft veel 'spanning').

Doorgecomponeerd lied
lied met bij elk couplet een nieuwe melodie.

Doorwerking
uitspinnen, voortborduren op de expositie (de twee thema's van een sonate).

Drieklank
grote- en kleine drieklank
  (groot = grote terts + reine kwint)

         

(klein = kleine terts + reine.5)

Dubbelgrepen
techniek waarbij twee tonen tegelijk gespeeld worden op een strijkinstrument.

Dubbelkoor
muziek voor twee gelijkwaardige koren (of instrumentale groepen) die soms elkaar afwisselen, dan weer samen te horen zijn. 

Duet
samenspel van twee gelijksoortige instrumenten of twee stemmen.

Duo
samenspel van twee verschillende instrumenten, bijvoorbeeld een piano en een viool.

Dynamiek

1.       de klanksterkte van muziek. De verschillende sterktes worden als volgt benoemd:  

  •   zeer zacht                = pianissimo
  •   zacht                          = piano
  •   matig zacht/sterk             = mezzo piano of mezzo forte
  •   sterk                          = forte
  •   zeer sterk                = fortissimo;

2.       vaart, veel beweging

Dynamische tekens
pp, p, mf, f, ff, crescendo, decrescendo, diminuendo