Begrippen - O

O

Obligaat
verplicht.

Octaaf
interval, afstand tussen een toon en een gelijknamige, hogere of lagere toon.


Omkering
bij een interval de onderste toon een octaaf hoger plaatsen of omgekeerd.

Opera
drama (tragedie of komedie) dat geheel wordt gezongen. Er is onderscheid tussen de gezongen (spreek)tekst, (het recitatief) de liederen (solo, duet, trio, kwartet enz.) en koorstukken. In het recitatief loopt de verhaallijn, in de liederen (vaak aria's geheten) wordt het verhaal becommentarieerd.

Operette
gezongen toneelstuk, decor, kostuums bestaande uit meerdere onderdelen, klassieke lichte muziek, meestal vrolijke, makkelijk te begrijpen teksten.

Opus
werk (opus 34: 34e compositie van betreffende componist).

Oratorium
meerdelige vocaalinstrumentale compositie op religieuze tekst.

Orgelpunt
een begeleidingsfiguur dat bestaat uit een lang aangehouden of steeds herhaalde toon in de bas.

Orkestlied
lied met orkestbegeleiding.

Orkestratie
   1. de rol die de verschillende instrumenten in een werk krijgen;
   2. een bestaande compositie omzetten voor orkest.

Ostinaat
voortdurend herhaald ritmisch en/of melodisch motief.

Ouverture
instrumentaal openingsstuk van cantate, oratorium, opera, musical, operette, passie of suite
Italiaanse ouverture:  instrumentaal openingsstuk van cantate, oratorium, opera of suite. Later ook zelfstandige compositie (snel, langzaam, snel). 

Ouverture, Franse
als Italiaanse ouverture, maar met temposchema: langzaam, snel, langzaam.

Overgangsdynamiek
geleidelijke overgang van klanksterkte (crescendo, decrescendo, diminuendo).